Eén zin over tirannie

 

Waar tirannie is,
daar vindt men tirannie
die niet alleen in de geweerloop is
en niet alleen in de gevangenis

niet slechts in kamers voor verhoor
niet slechts in ‘t duister van de nacht
en niet in ‘t roepen van de wacht
tirannie is daar

niet slechts in kamers grauw-berookt
in vuur’ge aanklacht opgestookt
beklaagden brekend voor het tribunaal
gevangenen met morse-taal

niet slechts de rechter, koel, afzijdig,
met zijn oordeel: schuldig!
daar is tirannie
niet slechts in de soldaat op wacht

wanneer knallend  klinkt: geef acht!
of: vuur! of als de trommels slaan
de lijken weggesleept
een levensgrote kuil in gaan

en niet alleen om het geheim
van deuren half gesloten
die angstig verder open gaan
om nieuws dat fluisterend het huis in komt

de hand, die haastig voor de mond
tot stilte maant
ja tirannie is daar
niet slechts in ‘t strakke aangezicht

dat schijnbaar als een masker ligt
op de doodgezwegen gil
van wanhoop
en toch stil

stiller nog, door stomme tranen
die zich woeste wegen banen
uit pupillen die niets zien

daar is tirannie meer
dan de staande ovatie,
het eindeloos geklap
‘t gejuich en de felicitatie

waar tirannie is
daar is ook tirannie
in het apathische applaus
van verdoofd geraakte handen

hoorngeschal,
van hen die in de opera speelden
in leugentaal sprekende beelden
maar ook in kleuren en in zalen,

in ieder werk dat wordt gemaakt
al in de kwast die ‘t doek aanraakt;
niet slechts in het nachtelijk geraas
van zwarte auto’s, hun gesuis 

en in het weten
-wanneer ze stilstaan-
bij welk huis

 …etc

 want waar tirannie is
is alles tevergeefs,
hoe zeer ook oprecht
het lied, het vers, ja alles wat men zegt

want daar staat reeds de tirannie
aan uw geopend graf
u zult hem dienen, zelfs als as
en hij zal zeggen wie u was

 

Illyés Gyula: Egy mondat a zsarnokságról.
Vertaling: RR Hermán Mostert.
Eerder verschenen in Intensief Magazine, November 2003.

Fragment uit een gedicht dat de Hongaarse schrijver Gyula Illyés (1902-1983) schreef in 1950, toen het stalinisme Hongarije nog in zijn greep had en bijna op zijn hoogtepunt was. Tijdens de eerste dagen van de Hongaarse opstand in 1956 werd dit gedicht voor het eerst gepubliceerd. Na het neerslaan van de revolutie circuleerde het heel lang alleen in de vorm van illegale stencils en handgeschreven kopieën.

Akik mindig elkésnek

Mi mindig mindenről elkésünk,
Mi biztosan messziről jövünk,
Fáradt, szomoru a lépésünk.
Mi mindig mindenről elkésünk.

Meghalni se tudunk nyugodtan.
Amikor már megjön a Halál,
Lelkünk vörösen lángra lobban.
Meghalni se tudunk nyugodtan.

Mi mindig mindenről elkésünk,
Késő az álmunk, a sikerünk,
Révünk, nyugalmunk, ölelésünk.
Mi mindig mindenről elkésünk.

 

Ady Endre:  Akik mindig elkésnek
Vér és Arany (1907). Ady Endre összes versei. Osiris Kiadó:  Budapest, 2006.

Bánffy a médiában

A Magyar Televízió archivumában található (update: már nem!)

A Nagyúr: Bánffy Miklós (1)
A Nagyúr: Bánffy Miklós (2)
A Nagyúr: Bánffy Miklós (3)

Karácsony másodnapján délután megnéztük. Egészen kellemes, izgalmas időutazás volt, és megint roppant megszerettem fordítandó könyvem szerzőjét. Amint tegnapelőtt elkezdődött az Úr 2011-es esztendője, izgatott munkakedvvel fordulok a sokadik oldal(am)ra, hogy átültessem és hollandra fordítsam. De hogyan fogom Bánffyt magát lefordítani az olvasónak? Hogyan mondjam el, amit nem lehet? Nagyszerű ember volt, érdekes, sokoldalú, megfoghatatlan gondolkozású és cselekedetű. És mit szólna a mai dolgokhoz?

Hiszen ő volt az, aki a megbotránkoztatást vállalva egyszerű, szürke katonai öltözetben vonultatta be lovaggá ütés céljából a látványosan rokkant első világháborús tiszteket az 1918-as magyar királyi koronázás alkalmával a Mátyás templomba, hogy saját szemével lássa a díszbe öltözött vendégsereg, mit is művel a háború.
És Bánffy Miklós vitte színpadra először az akkoriban sokak számára fájóan kortárs zeneművet és balettet az Operaházban: a Fából faragott kiráyfit és a Kékszakállú herceg várát. Nem hiszem, hogy provokálni akart. Számomra minden írásából és a róla szóló írásokból kitűnik, hogy következetesen gondolta végig a lépéseket, és összefüggő, egészséges és kritikus gondolatvezetés keretezte véleményeit.
Nem tudom, mi van pontosan az új 2010-es magyarországi médiatörvényben (majd elolvasom), de őszintén kiváncsi vagyok, hogy a sok berzenkedő mellett van-e olyan ember, aki nem csak riadót akar fújni, hanem leginkább kreatív kihívásnak érzi az egészet. Hogy hogyan lehet mégis elmondani amit kell, és mégis jelen lenni ott, és azzal, amivel szükséges, mert így kívánja a becsület?
P.S. A becsület néha tényleg nagyon buta dolog. De sokszor meg időtállóan nagyszerű.

Eigen taal éénmaal, andermaal…

Als alles moeilijk is en alles tegenzit, en je om één uur na middernacht nog aan het werk bent (nee, ik ga niemand vermoeien met details) kun je jezelf altijd even kietelen met een paar leuke vondsten uit de grabbelton van de Hongaarse taalvernieuwing rond 1800. Kejje lachuh!
Nationale taalbeschermers deden een radicale poging om de taal te verversen, en zo werden eindeloze lijsten onbestaande woorden gemaakt op basis van bestaande constructies. Het concept was gebaseerd op een aantal principes: 1. Vereenvoudiging van de taal 2. Verwijdering van leenwoorden 3. Het scheppen van nieuwe woorden 4. Het populariseren van woorden uit streektalen. 5. Het verlevendigen van vergeten woorden 6. Verhongaarsing van ‘vreemde’ woorden 6. Nieuwe woord(deel)combinaties voor nieuwe begrippen

Mijn ene favoriet is de -overigens mislukte- verhongaarsing van de giraf
Variatie 1: tevepárduc (terugvertaald: kameelluipaard. Niet grappig, want gewoon gebaseerd op de Latijnse naam Giraffa camelopardalis).
Variatie 2: foltos nyakorján (terugvertaald: gevlekte nekkelier).

Op nummer twee staat de locomotief, die in hedendaags Hongaars mozdony heet. Volgens mij is dit ook zo’n taalvernieuwd woord, want terugvertaald betekent het: bewegelaarOnvermoeibare moderne creatieven hebben er echter nog een draai aan gegeven, en zo bestaat inmiddels de urban legend dat de locomotief in de 18e eeuw hernoemd werd tot gőzpöfögészeti tovalöködönc, hetgeen terugvertaald zou kunnen klinken als: stoompuffelarende verderduweling

En als ik dan nóg eens wil grinniken, denk ik aan de stropdas (nou ja, dit is bijna zeker weten een uitvindsel van nu, maar wel gebaseerd op hoe ze tweehonderd jaar geleden probeerden de taal van nieuwe, eigen woorden te voorzien):
de stropdas, ofwel nyaktekerészeti mellfekvenc (terugvertaald: borstliggende halswikkelaar).

Juist. Misschien moet je wel heel gaar zijn om dit zo koddig te vinden.
Wie nog meer wil, melde zich. Vertaalgrappen zijn rook-, lood- en belastingvrij, maar je moet wel Hongaars én Nederlands spreken.

What’s in a sound…?

“mindig kiabált bölömbikahangján”

Bölömbika = Roerdomp
Milyen hangja van a bölömbikának?
Welk geluid maakt een roerdomp?

NL: Het geluid dat de roerdomp maakt kan nog het best worden vergeleken met het slaan op een holle boomstam. Het is een laag dreunend geluid. Hij maakt echter weer een ander geluid om vrouwtjes te lokken, zijn geluid is dan juist hoog en scherp. Vroeger dacht men soms dat de roep van de vogel het geluid van de duivel was.
HU: Egy gémfajta.
A bika név a madár mély, buffogó hangjára utal, a latin botaurus (ökör-bika), az angol bull-of-the-bog (mocsári bika) és a spanyol avetoro (madárbika) jelzi, hogy más népek is így hallják ezt a madárhangot. //

Oostwaarts met JS – De graaf en zijn docu

Ik ben gelukkig! Iemand heeft plaatjes gemaakt bij mijn vertaalwerk! Beter nog, een heuse documentaire! Wat ben ik Jaap Scholten dankbaar, en ook de VPRO, en het internet, en iedereen die het mogelijk heeft gemaakt dat er een beelddrager bestaat die een oud, geschreven verhaal illustreert, bij vlagen zelfs tot leven wekt. En dat ik als vertaler van de hier beschreven aristocratische auteur voor de duur van dit Scholtensiaanse reisverslag niet eenzaam ben in mijn pogingen een vergane wereld tot leven te roepen.  Kijk naar mijn juli-blog voor de introductie van de graaf en zijn boek.

Voor wie nog steeds in het duister tast, het zit zo:
Er is een documentaire met de titel Noblesse Oblige, die een paar dagen geleden op de Nederlandse tv werd getoond in het kader van de zesdelige serie “Oostwaarts” die afgelopen jaar als een beeldend reisverslag is gemaakt door de schrijver Jaap Scholten. Deze eerste aflevering gaat over de herontdekking, heropleving, her-idealisering van de Hongaarse (en voornamelijk Transsylvaanse) aristocratie in de afgelopen twee decennia.
Ik heb ‘m inmiddels op mijn laptop bekeken, en danste van vreugde een Weense wals in mijn huiskamer. Is er sprake van een renaissance van de Transsylvaanse aristocratie? Werkt de adellijke Zevenburgse lobby zo goed? Of is het een almachtig geregisseerd samenlopen van omstandigheden, dat ik dankbaar omhels?

Beste meneer Scholten: ik ken u alleen van drie meter afstand en vond u de eerste keer dat ik u zag (Pótkulcs, 8 juni 2007) niet zo sympathiek omdat u overmoedig was en lompe dingen zei toen u geinterviewd werd over uw ervaringen in Hongarije, maar nu ben ik heel erg blij met u.
Respect voor uw tocht en uw verslag! Hopelijk kan ik u een keer persoonlijk de hand drukken. Op zijn laatst als deze Bánffy-vertaling gepubliceerd is. Wellicht kunnen we samen een feestje organiseren in ons geliefde Boedapest. U als schrijver en documaker, ik als vertaler.
P.S. Ik treur niet over niet bestaande gemiste kansen, en toch moest ik bij de aanblik van o zoveel bekende filmlocaties even diep zuchten: had ik maar mee kunnen reizen voor het maken van die docu. U weet erg veel, maar ik had u nog zoveel meer kunnen vertellen! Ik had kunnen tolken en vertalen! Ik had zelfs kunnen uitleggen dat je mensen niet zomaar allemaal tutoyeert. Zelfs niet op het platteland van Transsylvanië…

————————–

(Niet zo) vers van de pers: inmiddels is Scholtens roman Kameraad Baron verschenen. Ik zag het boek voor het eerst op de niet zo officiele maar wel zo persoonlijke presentatie ervan op de residentie van de Nederlandse ambassadeur in Boedapest. De auteur las twee hoofdstukken in Engelse vertaling voor, zodat de bijeengekomen belangstellenden het ook konden volgen – veel van hen hadden een belangrijke rol gespeeld in het schrijfproces of als personages in het boek dat op feiten gebaseerd is, en waarin sfeerbeschrijvingen slechts het decor vormen voor een maar al te realistische en pijnlijke episode in de geschiedenis van de Hongaarse aristocratie en daarmee in het historisch bestaan van heel Midden-Europa. Na de twee Engelstalige hoofdstukken gehoord te hebben in het “Kazachstaans” Engels van de schrijver, kan ik nauwelijks wachten tot ik de kans krijg de originele en complete tekst te lezen. Ik was ontroerd door wat ik hoorde, geraakt door de toewijding van de auteur.

Er lag een dik pak januarisneeuw rondom de feestelijk verlichte villa, en het vele blauwe bloed op de boekpresentatie droeg absoluut bij aan de uniciteit van het gebeuren. Ik had geen last van kritische oprispingen, hemel zij dank. De hele avond was een soort déja vu van sprookjesachtige nostalgie.
Het was waarachtig zelfs heel even alsof ik IN mijn vertaling rondwandelde….!

En los van dit alles: het zigeunerorkest dat op die avond speelde was Fenomenaal!

Legyint

Hoe het komt weet ik niet, want mijn geheugen is niet mijn sterkste kant, maar er zijn opmerkingen, gedachten, zinnen, die ergens in een bomvrije keldercel van mijn hersens wonen en nooit meer weggaan, maar wel zo nu en dan omhoogkomen en me een van denkstof voorzien. Gelukkig zijn dat meestal nuttige, mooie, wijze zinnen, gedachten en opmerkingen, al zijn er ook Lelijke die als zure oprispingen opkomen. Maar qua positieven: je hebt segmenten Schoolwijsheid, Levenswijsheid, Wijsheid die weliswaar Mooi en Veelbelovend is, maar bij gebrek aan ervaring nog niet Wis en Waarachtig – en je hebt de subcategorie Vertaalfrasen. Dat komt, doordat vertalen weliswaar een zeker talent behoeft, maar voor het merendeel toch vakkundigheid (en nog een aantal zaken) nodig heeft om tot een beroep te worden. En omdat het vertalersvak als een soort gilde georganiseerd is, met leerlingen, gezellen en meesters, en een meesterproef (je eerste echte boekvertaling mét ISBN…). En wat je gildemeester je leert, moet je niet vergeten, want je kunt er nog heel lang je voordeel mee doen. Totdat je op een dag de wijsheid doorgeeft, uitgebreid met hetgeen je zelf als wijsheid hebt ervaren. Vertaler ben je, als je kunt vertalen. Nee, niet smalend grimlachen – het is écht zo, al ligt het nog zo voor de hand. Ik heb vooral veel gehad aan de lessen van Henry Kammer, onze goeroe als het gaat om literatuur uit het Hongaars in het Nederlands. Al is hij niet de enige die me in herinnering vergezelt op mijn vertalerspad.

Wat is vertalen? Is het: Je zegt het zelfde, maar dan in een andere taal? Of is het meer: je probeert iets te zeggen dat hoogstwaarschijnlijk het dichtst bij de inhoud/intentie/betekenis van de brontekst komt?

Een voorbeeld: als je in een Hongaarse tekst het woord “legyint” tegenkomt (werkwoord, 3e persoon enkelvoud), heb je twee mogelijkheden. Je vertaalt het met “hij wuift/wenkt/zwaait/wappert (met zijn hand)” óf op een andere manier. In dat geval is het moeilijker vertaalbaar. Stel je een handgebaar voor en daarbij een houding en gezichtsuitdrukking die het midden houdt tussen laconiek, geresigneerd, ontevreden, teleurgesteld en korzelig. De pols komt iets omhoog, de hand beweegt in een bruuske beweging van helemaal boven naar helemaal beneden, liefst van ietsje buiten naar ietsje binnen. Je zou “legyint” dus kunnen vertalen met “hij maakt een … gebaar met zijn hand”. Maar dat hebben we niet in het Nederlands. Hoogstens iets als “hij maakte een berustend gebaar met zijn hand”. Alleen mis je dan het bozige, het korzelige van de uitdrukking.

En dus zei Henry Kammer bij dit woord dat je het in de meeste gevallen kunt vertalen met “hij haalt xxx zijn schouders op” (die xxx is van mij – ik voeg eraan toe dat je xxx kunt vervangen door een willekeurig bijwoord dat de situatie preciezer inkleurt.)
Vertalen is dus ook een randje antropologische bewegingswetenschap: wat voor gebaar maakt een geciviliseerde Hongaar als hij teleurgesteld is en afziet van enige redelijke discussie? En wat doet een geciviliseerde Nederlander in dezelfde situatie?

Bánffy Miklós vándorkiállítás – Reizende tentoonstelling over Miklós Bánffy

Boedapest, 11 november 2010 – 23 januari 2011

Gróf Bánffy Miklós vándorkiállítás (Budapest, Krisztina Körút 57.)
Reizende tentoonstelling over Miklós Bánffy in het Nationale Theatermuseum
Opening/Megnyitó: 11 november 2010, 17:00

Voltam, láttam, nem győztem. Tulajdonképpen nagy, nagyon nagy ez az élet, de kicsi ahhoz amit látni szeretnénk belőle. Tetszik, hogy a fordításom révén ilyen közel kerülgetek (sic!) ehhez a Miklóshoz. Nem hiszem, hogy real time erre bárminek révén is lett volna alkalmam. Valahogy sohasem nagyvilági hölgynek képzelem magam a múltban, sokkal inkább nagyszemű és csudálkozó nagyvárosi cselédnek, szegény falusi pap okoskodó lányának, vagy polgári csipkék között tengődő fáradtarcú asszonynak. Szóval nem egytársaságbelinek.

Outi Hassi finn műfordítónak köszönhetem a meghívást – ő is ott lesz azon a bizonyos gyertyafényes vacsorán, amikor megünnepeljük a munka végét és a könyv megjelenését!

A kiállítás érdekes dolgokat mutat, és szép a Színháztörténeti Intézet épülete, egy csendes udvar a forgalmas Krisztina körút mellett. Megismerhettem Lakos Annát, aki kedvesen, szelíden de határozottan kalauzolt emberek és könyvek között és azt is felajánlotta, hogy idővel megnézhetem-meghallgathatom a megnyitónak azt a részét amit a sokaság miatt csak nagyon távolról nézhettem-hallhattam (volna, ha nem mentem volna ki inkább az udvarra, hogy egyebekről diskuráljunk Outival).

Szőcs Géza költő/Bánffy-kutató/államtitkár nyitotta meg a vándorkiállítást és keresetlen, hozzáértő szavakban mondott annyit, amennyit kellett egy megnyitó elé. Többek közt azt is, hogy tavasszal bemutatják Zalaegerszegen az egyik Bánffy-drámát. Jó lenne elmenni, megnézni! És azt is megjegyezte, hogy a Bánffy karikaturális politikusportréi azért olyanok, mert csak nagy adag szarkazmussal lehetett elviselni azt az európai tárgyalást amelyen a Magyarország dolgaiban is határoztak. (1922-ben rajzolta őket, amikor Magyarország külügyminisztere volt, és az országot képviselte a genovában -Genua- tartott Nemzetközi Tanácskozás Európai Kérdések Tisztázására című konferencián).

Saját tehetetlenségét is láttatja az önarcképe – mert önmagát is rajzban karikírozta. A képeket egyébként nem meglepő módon álnéven és francia címmel adták ki (Fresques et frasques: Myll, Ben – forrás: OSzK).
Bravo. Bravo. Et bravo encore!

 

Frissítés:
A vándorkiállítás 2011 január 24-től március 11-ig megtekinthető Kolozsváron.
A Reményik Sándor Galériában elsősorban a képzőművész Bánffy Miklós „mutatkozik be” (cím: Kossuth Lajos/21 Decembrie 1989. 1. szám), az EMKE–Györkös Mányi Albert Emlékházban pedig az Erdélyi Helikonhoz fűződő viszonyáról kapunk kimerítő képet (cím: Majális/Republicii u. 5/1. szám).

(Forrás: Szabadság online)

Introitusz

Ki nyitja meg a betett könyvet?
Ki szegi meg a töretlen időt?
Lapozza fel hajnaltól-hajnalig
emelve és ledöntve lapjait?

Az ismeretlen tűzvészébe nyúlni
ki merészel közülünk? S ki merészel
a csukott könyv leveles sürüjében,
ki mer kutatni? S hogy mer puszta kézzel?

És ki nem fél közülünk? Ki ne félne,
midőn szemét az Isten is lehúnyja,
és leborúlnak minden angyalok,
és elsötétűl minden kreatúra?

A bárány az, ki nem fél közülünk,
egyedül ő, a bárány, kit megöltek.
Végigkocog az üvegtengeren
és trónra száll. És megnyitja a könyvet.

 

(Pilinszky János: Introitusz. Vigilia, 1961 dec. Forrás: Pilinszky János összes versei, Osiris Kiadó 1992-2003, 64.)